Anti-Pestbeleid

Antipestbeleid werkt – maar je moet het wel volhouden

Een schrikbeeld voor ouders: je kind wordt op school gepest en durft het niet te vertellen.
Het gevaar is niet denkbeeldig, want pesten op school komt veel voor. Minne Fekkes, onderzoeker bij TNO Kwaliteit van Leven, deed er een groot onderzoek naar, waarop hij vandaag in Leiden is gepromoveerd.

Een paar uitkomsten: Meer dan 16% van de kinderen uit de laatste drie groepen van de basisschool geeft aan minimaal enkele malen per maand te worden gepest. 5.5% van de kinderen zegt zelf te pesten.
De meester of juf is vaak niet op de hoogte, want slechts 53% van de gepeste kinderen vertelt het hun.
Maar ook ouders weten lang niet altijd dat hun kind gepest wordt; eenderde van de gepeste kinderen vertelt daar thuis niets over. Jongens pesten vaker op een fysieke wijze, meisjes pesten subtieler, door uitsluiting of roddelen.

Pestprotocol Fekkes onderzocht de relaties tussen pesten enerzijds en een heleboel andere zaken anderzijds, waaronder de – geestelijke – gezondheid van kinderen, het hebben van vriendjes of vriendinnetjes, en de relatie tussen actief pesten en delinquent gedrag. Daarnaast onderzocht hij of pestbeleid helpt.

Deze laatste vraag was de aanleiding voor zijn onderzoek. Fekkes: ‘Begin jaren negentig is het eerste grote onderzoek gehouden naar pesten op school. Daar kwam uit dat pesten veel voorkomt. In de loop van de jaren negentig is daarom in Nederland een pestprotocol ontworpen. Dat was vooral het werk van ouderverenigingen. Maar eind jaren negentig bleek uit een ander grootschalig onderzoek, naar schoolgezondheidsbeleid, dat pesten nog steeds veel voorkwam.

Veel scholen hadden ook helemaal geen antipestbeleid. Daarom werd bij TNO het plan opgevat de bestaande antipestmaatregelen maar eens te gaan evalueren. Pas als zeker is dat een beleid werkt kan de overheid scholen gaan stimuleren het te implementeren.’ Eenjarig project Dit werd het onderzoek van Fekkes.

Hij zette een interventiestudie op waarbij hij 47 basisscholen betrok. Hij mat hoe vaak er gepest werd, voerde een antipestbeleid in, en volgde de scholen twee jaar lang. Aan het eind van het eerste schooljaar deed hij een tweede meting. Het goede nieuws: antipestbeleid blijkt te werken. Aan het eind van het eerste jaar werden er op scholen met het interventieprogramma slechts zeven kinderen gepest tegenover tien in de controlegroep.

Het slechte nieuws: weer een jaar later, bij de volgende meting, was het effect verdwenen. ‘Dat komt waarschijnlijk doordat scholen het als een eenjarig project zagen’, zegt Fekkes. ‘Het jaar erop richtten ze hun aandacht weer op een ander prangend probleem, zoals overgewicht bij kinderen. En dan lieten ze het beleid verwateren en voerden minder maatregelen uit. Ze namen de jaarlijkse pesttest bijvoorbeeld niet meer af.’ Pesttest Fekkes’ antipestprogramma had verschillende elementen: bewustwording bij de leerkrachten, training, communicatie met de ouders, en duidelijke regels.

Pesten gebeurt meestal op het terrein van de school zelf. Omdat docenten vaak niet op de hoogte zijn is het van het grootste belang hun bewustzijn te vergroten. Ze kregen een tweedaagse training, een brochure, en de opdracht een jaarlijkse meting te houden via een vragenlijst: de pesttest. Ze werden gevraagd duidelijke regels te hanteren, lessen te wijden aan pesten en sociale vaardigheden, goed op te letten op het schoolplein, en de ouders bij het beleid te betrekken’.

Evenals de meeste antipestprogramma’s in Europa was Fekkes’interventie gebaseerd op een Noors model, ontwikkeld in de jaren tachtig na een aantal ernstige pestincidenten op Noorse basisscholen. Tien minuten Omdat de helft van de kinderen niet aan de leerkracht vertelt dat ze worden gepest is het heel belangrijk dat die leerkrachten ernaar vragen in gesprekken met de ouders, meent Fekkes: ‘Dat zou mooi ter sprake kunnen komen in de periodieke tien-minuten-gesprekken.

En scholen zouden in hun schoolplan of op hun website hun antipestbeleid openbaar moeten maken. Ouders moeten worden uitgenodigd het te melden als hun kind wordt gepest. Op websites zie je het tegenwoordig overigens wel wat vaker staan, omdat scholen meer reclame gaan maken. Met het pestprotocol profileren ze zich dan.’ Omdat scholen continu de vinger aan de pols zouden moeten houden ziet Fekkes ook een taak weggelegd voor beleidsmakers. ‘Als duidelijk is dat er inderdaad een effectief programma is, een goed instrument, zou de overheid scholen moeten stimuleren dat te gebruiken’.

Depressie Een antipestbeleid is niet alleen van belang om te voorkomen dat sommige kinderen een nare schooltijd hebben. Er zit veel meer aan vast. Uit het onderzoek van Fekkes kwam een duidelijk verband naar voren tussen gepest worden en een heel scala aan psychosomatische klachten: depressiviteit, angsten, buikpijn, hoofdpijn, bedplassen. Bij actieve pesters was dat verband er niet. Het is een klachtenpatroon dat over het algemeen in verband wordt gebracht met kindermishandeling. Schoolartsen zijn dus extra alert op die klachten, en hebben een protocol voor kindermishandeling.

Fekkes beveelt aan dat artsen die dergelijke klachten zien, en kindermishandeling kunnen uitsluiten, vervolgens gaan doorvragen over pesten op school. Juist in de gevallen dat leraren of ouders niet op de hoogte zijn kunnen zij het pesten boven tafel krijgen. Delinquent Ook zag Fekkes een verband tussen actief pestgedrag en delinquent gedrag. ‘Bij deze leeftijdsgroep hebben we het dan vooral over vandalisme, dingen in de fik steken en zo’. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om jongens. Niet alleen is er een verband op het tijdstip van het pesten zelf, pesten blijkt ook een voorspellende waarde te hebben voor delinquent en agressief gedrag in de toekomst.

Frequente pesters hebben een grotere kans om achttien maanden later delinquent gedrag te vertonen. Fekkes: ‘Pesten kan dus een signaalfunctie hebben, het kan wijzen op een breder problematisch gedrag op een later tijdstip. Andersom bleek ook dat delinquente jongens die niet pestten achttien maanden later een grotere kans hadden om wel te pesten dan niet-delinquente jongens. Ook hier is het dus weer zaak om vroeg in te grijpen. Dan kun je nog therapieën aanbieden, en de thuissituatie onder de loep nemen.’ Want uit eerder onderzoek kwam naar voren dat een harde opvoedingsstijl, met ouders die slaan, een grotere kans op pestende kinderen geeft.

Omstanders Waarom heeft Fekkes juist de groep van 9- tot 12-jarigen door de statistische molen gehaald? ‘In die leeftijdsgroep komt pesten het meest voor. Op de middelbare school zie je het weer afnemen. En jongere kinderen kun je überhaupt geen vragenlijsten voorleggen.’ Het gebruik van vragenlijsten kent natuurlijk zoals iedere methode zijn beperkingen, zegt Fekkes. ‘Kinderen die toch al een sombere kijk op de wereld hebben zullen misschien geneigd zijn het pesten te overdrijven. Toch wordt het onderzoek met vragenlijsten nog steeds de beste manier gevonden om pesten te bestuderen. Natuurlijk leggen we kinderen eerst goed uit wat we met pesten bedoelen. Dat het niet hetzelfde is als vechten. En natuurlijk gebeurt het anoniem’.

Onderzoek door observatie is, zo zegt Fekkes, ook niet perfect. ‘Dat is gewoon een veel te dure methode om zulke grote aantallen mee te meten. Er is in ander onderzoek wel gewerkt met camera’s. Die leggen vooral vast hoe omstanders zich gedragen. Omstanders blijken het pestgedrag nogal eens te bevestigen. Maar dat hoeft niet. Uit onderzoek blijkt dat de kinderen die eromheen staan wel degelijk bij machte zijn om het pesten te stoppen.

Dat element zou ook in het antipestbeleid moeten zitten’. Vervolgonderzoek In sep
tember van dit jaar gaat een vervolgonderzoek van start. Er wordt hard gewerkt aan de ontwikkeling van materiaal voor een interventieonderzoek dat juist het langdurige beleid gaat onderzoeken en aanpassen.

Pas dan kan het antipestbeleid grootschalig worden geïmplementeerd. Fekkes gaat het zelf niet doen, want hij woont voor een aantal jaar in San Francisco. Maar zodra hij terug is hoopt hij weer van de partij te zijn.

Minne Fekkes, Bullying among elementary school children Promotie Universiteit Leiden 28 juni 2005. Promotor: prof. dr. S.P. Verloove-Vanhorick (kindergeneeskunde LUMC) Co-promotor: dr. F.I.M. Pijpers (GGD, Amsterdam)

samenvatting Bron: Universitaire Nieuwsbrief 28 juni 2005

Advertenties